← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 29 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

De reukzin is voor de meeste zoogdieren van het hoogste gewicht—sommigen, zooals de herkauwende dieren, waarschuwt hij voor gevaar; anderen, zooals de verscheurende dieren, helpt hij hun prooi vinden; bij nog anderen, zooals het wilde zwijn, dient hij voor beide die doeleinden. Maar de reukzin is, zoo van eenig, dan toch van zeer weinig nut, zelfs voor de wilden, bij wie hij in ’t algemeen meer ontwikkeld is dan bij de beschaafde rassen. Hij waarschuwt hen niet voor gevaren, en doet hun hun voedsel niet vinden; hij verhindert niet, dat de Eskimo’s in de meest bedorven lucht leven, noch dat vele wilden half verrot vleesch eten. Zij die gelooven aan het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling, zullen niet gereedelijk toegeven, dat de mensch dien zin oorspronkelijk slechts in die mate heeft verkregen, waarin hij hem tegenwoordig bezit. Ongetwijfeld heeft hij dien zin in verzwakten en dus gedeeltelijk rudimentairen toestand van den eenen of anderen voorouder geërfd, die er zeer veel nut van had en hem voortdurend gebruikte. Wij kunnen daaruit misschien de zeer juiste opmerking van Dr. Maudsley29 begrijpen, als hij zegt, dat de reuk bij den mensch „bijzonder dienstig is om de gedachte aan en het beeld van vergeten tooneelen en plaatsen levendig in het geheugen terug te roepen”; want bij dieren waarbij dit zintuig ontwikkeld is, zooals honden en paarden, zien wij, dat oude herinneringen van personen en plaatsen in nauw verband staan met hun reuk.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings