Note 25 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
De beroemde beeldhouwer Woolner deelt mij een kleine bijzonderheid mede van het uitwendige oor, die hij dikwijls zoowel bij vrouwen als bij mannen heeft opgemerkt, en waarvan hij de beteekenis volkomen begreep. Zijn aandacht werd er het eerst op gevestigd toen hij aan het beeld van een kabouter werkte, waaraan hij puntige ooren had gegeven. Daardoor werd hij er toe gebracht de ooren van verschillende aapsoorten, en vervolgens nog zorgvuldiger die van den mensch te beschouwen. De bijzonderheid bestaat uit een kleine, stompe punt, die op den naar binnen omgevouwen rand of helix uitsteekt. De heer Woolner maakte een nauwkeurig model van zulk een geval, en zond mij nevensgaande teekening (Fig. 2). Deze punten steken niet alleen naar binnen uit, maar dikwijls ook een weinig naar buiten, zoodat zij zichtbaar worden wanneer men het hoofd recht van voren of van achteren ziet. Zij verschillen in grootte en ook een weinig in stand, daar zij nu eens iets hooger, dan weder iets lager staan; ook komen zij soms voor aan het eene oor en niet aan het andere. (18) Zij zijn niet beperkt tot den mensch; want ik nam ze eens waar bij een der spinapen (Ateles Beelzebuth) in den Londenschen dierentuin, en Dr. E. Ray Lankester deelt mij een ander geval mede bij een chimpanzee in den Hamburgschen dierentuin. De helix bestaat duidelijk uit den uitersten rand van het oor, die naar binnen omgevouwen is; en dit omvouwen schijnt eenigszins in verband te staan met het voortdurend naar achteren drukken van het geheele uitwendige oor. Bij vele apen die in hun orde geen hooge plaats innemen, zooals bavianen en sommige soorten van het geslacht Macacus25, is het bovendeel van het oor een weinig gepunt en de rand in het geheel niet naar binnen omgevouwen; maar werd de rand op die wijze omgevouwen, dan zou noodzakelijk een kleine punt naar binnen en waarschijnlijk ook een weinig naar buiten uitsteken; en dit geloof ik, dat in vele gevallen hun oorsprong is. Daarentegen houdt Prof. L. Meyer in een dergelijke, onlangs gepubliceerde verhandeling26 vol, dat het geheele geval slechts een toevallige afwijking is; en dat de uitsteeksels werkelijk niet als rudimenten moeten worden opgevat, maar alleen zijn ontstaan, doordat het inwendige kraakbeen ter weêrszijden van deze punten niet tot volkomen ontwikkeling is gekomen. Ik ben bereid aan te nemen, dat dit in vele gevallen de juiste verklaring is, zooals in die, welke door Prof. Meyer zijn afgebeeld en waarin er verscheidene kleine puntjes zijn of de geheele rand gegolfd is. In heb zelf, door de vriendelijkheid van Dr. L. Down, het oor gezien van een microcephalen idioot, bij ’t welk er een uitsteeksel is aan de buitenzijde van de helix, en niet op den naar binnen omgevouwen rand, zoodat deze punt in geen betrekking kan staan tot een vroegere punt van het oor. Toch komt mijn oorspronkelijke meening, dat de punten sporen zijn van de spitsen van vroegere overeindstaande en gepunte ooren, mij in sommige gevallen nog waarschijnlijk voor. Ik denk zulks wegens het veelvuldig voorkomen daarvan, en omdat hun plaats algemeen overeenstemt met die van de spits van een gepunt oor. In één geval, waarvan mij een photogram is gezonden, is het uitsteeksel zoo groot, dat, wanneer men onderstelt, in overeenstemming met de meening van Prof. Meyer, dat het oor volkomen werd gemaakt door de gelijkmatige ontwikkeling van het kraakbeen over de geheele uitgebreidheid van den rand, het ten volle een derde van het geheele oor zou bedekken. Twee gevallen zijn mij medegedeeld, één uit Noord-Amerika en het andere uit Engeland, waarin het bovengedeelte van den rand volstrekt niet naar binnen omgevouwen, maar gepunt is, zoodat de omtrek ervan zeer sterk gelijkt op dien van het gepunte oor van een gewoon viervoetig dier. In één dezer gevallen, dat bij een jong kind was, vergeleek de vader het oor met de teekening27 welke ik heb gegeven van het oor van een aap, den Cynopithecus niger, en zegt, dat hun omtrekken nauwkeurig overeenstemmen. Indien in deze beide gevallen de randen op de gewone wijze waren omgevouwen, moest er een naar binnen loopend uitsteeksel zijn gevormd. Ik mag er bijvoegen, dat in twee andere gevallen de omtrek nog eenigszins gepunt blijft, hoewel de rand van het bovenste gedeelte van het oor op de gewone wijze naar binnen is omgevouwen—bij één daarvan echter zeer weinig. De volgende houtsnede (Fig. 3.) is een nauwkeurige copie van een photogram van den foetus van een orang (die Dr. Nitsche zoo vriendelijk was mij te zenden), waarop men kan zien hoe verschillend de gepunte omtrek van het oor in dit tijdperk is van het oor van een volwassen orang, dat over het algemeen zeer sterk op een menschenoor gelijkt. Het is duidelijk dat als de spits van zulk een oor werd omgevouwen, als het gedurende zijn verdere ontwikkeling niet sterk veranderde, een naar binnen uitstekende punt zou ontstaan. Over het algemeen komt het mij waarschijnlijk voor, dat de punten in quaestie in sommige gevallen, zoowel bij den mensch als bij de apen, rudimenten van een vroegeren toestand zijn.