Note 23 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
De uitwendige spieren die dienen om het geheele uitwendige oor te bewegen, en de inwendige spieren die de verschillende deelen ervan in beweging brengen, en die allen tot het stelsel van den panniculus behooren, verkeeren bij den mensch in een rudimentairen toestand. Zij vertoonen ook verschillen in ontwikkeling of ten minste in functie. Ik heb iemand gezien, die zijn ooren naar voren kon trekken, en een ander die ze naar achteren kon trekken23; en uit hetgeen een van die menschen mij meêdeelde, is het waarschijnlijk, dat de meesten van ons na herhaalde proefnemingen het vermogen om de ooren te bewegen min of meer terug zouden krijgen, wanneer wij ze dikwijls aanraakten en er onze aandacht op vestigden. Het vermogen om de ooren te bewegen en ze naar alle kanten te kunnen richten, bewijst zonder twijfel aan vele dieren den grootsten dienst, omdat zij daardoor kunnen bemerken van welken kant het gevaar hen bedreigt; maar ik heb nooit gehoord van iemand die het vermogen bezat om zijn ooren omhoog te steken—de eenige beweging die een mensch van nut kon zijn. Men kan het geheele uitwendige oor als rudimentair beschouwen met al zijn plooien en uitstekende punten (helix en anti-helix, tragus en anti-tragus enz.), die bij de lagere diersoorten het oor, wanneer het omhoog staat, kracht en steun geven, zonder het veel zwaarder te maken. Sommige schrijvers denken evenwel, dat het kraakbeen van het oor dient om trillingen over te brengen op de gehoorzenuw; maar de heer Toynbee24 komt, na al de bewijzen die hiervoor worden aangevoerd, te hebben nagegaan, tot het besluit dat het uitwendige oor geen bepaald nut heeft. De ooren van den chimpanzee en den orang gelijken opmerkelijk veel op die van den mensch; en de oppassers in den Londenschen dierentuin hebben mij verzekerd, dat deze dieren ze nooit bewegen of omhoog steken, zoodat zij, wat hun functie betreft, in even rudimentairen staat verkeeren als bij den mensch. Waarom deze dieren, evenals de voorouders van den mensch, het vermogen om hun ooren omhoog te steken verloren hebben, kunnen wij niet zeggen. Het kan zijn, hoewel deze beschouwingswijze mij niet geheel voldoet, dat zij door hun gewoonte om in boomen te leven en door hun groote kracht maar weinig aan gevaren waren blootgesteld, en dus gedurende vrij langen tijd hun ooren maar weinig bewogen, waardoor langzamerhand het vermogen om ze te bewegen verloren ging. Dit zou een dergelijk geval zijn als dat van die groote logge vogels, die, oceanische eilanden (17) bewonende en daar niet blootgesteld zijnde aan de aanvallen van roofdieren, het vermogen hebben verloren om hun vleugels tot vliegen te gebruiken.