Note 18 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Rudimentaire organen.—Dit onderwerp, hoewel eigenlijk niet belangrijker dan de twee laatsten, zal om verscheidene redenen hier uitvoeriger worden behandeld.18 Men kan niet ééne van de hoogere diersoorten noemen, die niet een of ander in rudimentairen toestand verkeerend deel bezit, en de mensch maakt geen uitzondering op dien regel. De rudimentaire organen moet men onderscheiden van die, welke in wordenden toestand verkeeren, hoewel in sommige gevallen de onderscheiding niet gemakkelijk is. De eersten zijn òf bepaald nutteloos, zooals de tepels der mannelijke zoogdieren of de snijtanden der herkauwende dieren, die nooit door het tandvleesch komen; òf zij bewijzen zoo weinig dienst aan hun tegenwoordige bezitters, dat wij niet kunnen onderstellen, dat zij onder de tegenwoordig bestaande voorwaarden tot ontwikkeling zijn gekomen. De organen die in den laatstgenoemden toestand verkeeren, zijn strikt genomen niet rudimentair, maar zij streven er naar het te worden. Wordende organen integendeel, hoewel niet geheel ontwikkeld, zijn voor hun bezitters van groot nut, en voor verdere ontwikkeling vatbaar. Rudimentaire organen zijn in hooge mate variabel, en dit is gedeeltelijk te begrijpen, daar zij nutteloos of bijna nutteloos, en dus niet langer aan den invloed van de natuurlijke teeltkeus onderworpen zijn. Zij verdwijnen dikwijls geheel. Wanneer dit gebeurt, kunnen zij evenwel nu en dan opnieuw verschijnen door atavisme; en deze bijzonderheid is zeer opmerkenswaardig.