← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 10 — DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Embryonale ontwikkeling.—De mensch ontwikkelt zich uit een eitje dat ongeveer 1⁄50 centimeter middellijn heeft en in geen enkel opzicht van de eitjes van andere dieren verschilt. De embryo zelf kan in een zeer vroeg tijdperk van zijn ontwikkeling nauwelijks van dien van andere gewervelde dieren worden onderscheiden. In dat tijdperk vormen de slagaderen boogsgewijze takken, als ware het om het bloed naar kieuwen te voeren, die bij de hoogere gewervelde dieren niet aanwezig zijn, hoewel aan beide zijden van den hals nog spleten voorkomen (f, g, Fig. 1) waardoor hun vroegere plaats wordt aangegeven. In een eenigszins later tijdperk, waarop de ledematen zich ontwikkelen, „ontstaan”, zooals de beroemde Von Baer opmerkt, „de pooten der hagedissen en zoogdieren, de vleugels en pooten der vogels en evenzoo de handen en voeten van den mensch, allen uit den zelfden grondvorm.” „Alleen in de latere tijdperken van zijn ontwikkeling”, zegt Prof. Huxley10, „vertoont het jonge menschelijke wezen bepaalde verschillen met een jongen aap, terwijl deze laatste in de wijze van zijn ontwikkeling evenveel van den hond verschilt, als de mensch. Hoe onaangenaam deze laatste bewering ons ook moge verrassen, zij is volkomen juist en onwederlegbaar te bewijzen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings