Note 1 — Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.
Reading edition
De spoortrein, die ons medevoerde, had zoo juist Nagy-Varad1 achter zich gelaten. De verstrooide huizen slonken al meer en meer, en schenen niets meer dan witte stippen te midden van het groen der tuinen. Er kwam meer beweging en verheffing in het landschap. Reeds strekten enkele kleine heuvelen hunne half begroeide hellingen ter wederzijde van den weg uit; een helder, dartel riviertje schoot lustig murmelend voort over haar bedding van glimmende steentjes; tegenover ons, naar de zijde van Zevenbergen, verhieven zich de blauwe toppen der bergen van Bihar, terwijl zich achter ons de onafzienbare hongaarsche vlakte uitstrekte, door den purperen avondgloed beschenen en bijna aan een reusachtig vaal lijkkleed gelijk.