← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877

Note 3 — XXII. Georgië.—Zuid-Carolina.

Reading edition

“Wees van één ding verzekerd, zegt kolonel Binfield, een zuidelijk officier, die de negerkwestie heeft bestudeerd op het slagveld, op de tabaksplantages en in de openbare scholen;—wij hebben niet meer voor wanorde op straat te vreezen. Wij zullen ons verder niet laten leiden door bekrompen hartstocht. Wij hebben een fout begaan, door ons van onze vlag te scheiden; maar wij hebben sinds lang die dwaling ingezien, en zullen niet weder in dezelfde fout vervallen. Wij hebben nu ons vertrouwen gesteld op de onveranderlijke wet des levens. De neger heeft de macht in handen gehad. Zijn dwaasheid en wispelturigheid ergerden ons, maar nooit heeft hij ons door zijn kracht ontzag ingeboezemd. Zelfs nu, nu de gouverneur te Columbia op zijne hand is, nu zijne vrienden de meerderheid hebben in de Kamers, en over alle openbare machten beschikken,—zelfs nu vreezen wij hem niet. Geen Afrikaan is tegen een Europeaan opgewassen. Zeker kan hij u in den donker een dolksteek toebrengen of een brandende fakkel in uwe kamer werpen, maar overigens kan een kleurling u niet licht ernstig kwaad doen. De strijd van een blanke met een neger is als de strijd van een man met eene vrouw. En dit geldt evenzeer van de massa. Neem er de proef van. Sticht een kolonie, een Utopia, aan de oevers van de Santee of den Edisto;3 plaats tien Europeanen te midden van negentig negers; geef aan elk der honderd kolonisten een gelijk aandeel in den grond, een gelijke hoeveelheid werktuigen, gereedschappen, zaad, geld; geef hun de meest mogelijke vrijheid en gelijkheid van recht; laat hen den grond bebouwen, wetten maken en zich zelven regeeren. Na verloop van tien jaren, zal de grond met de opbrengst en al het kapitaal uitsluitend in handen der blanken zijn. De natuur heeft nu eenmaal aan den blanke meer verstand en kracht, meer scheppend vernuft, meer moed en volharding, in één woord, hooger gaven naar lichaam en geest geschonken, dan aan den neger. Dit is een feit, en alle gemoedelijke bespiegelingen en quasi-humanitaire droomerijen kunnen daaraan niets veranderen. Ten spijt van voorbijgaande verwarringen, moet de blanke in dit land meester zijn. Waarom zouden wij dan op nieuw onze toevlucht tot de wapenen nemen? Slechts een vijand der blanke beschaving kan naar een tweeden burgeroorlog verlangen. Wij behoeven slechts onzen tijd af te wachten, zeker dat de overwinning in 't eind aan ons zal zijn.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings