Note 1 — XXII. Georgië.—Zuid-Carolina.
Reading edition
Op een heuvel gebouwd, omringd met een gordel van groenende esch- en pijnboomen, verheft zij fier haar torens en koepels boven het weelderig geboomte en overschouwt de omringende vlakte: wel maakt zij den indruk van eene hoofdstad, tot welken rang zij, na haar vreeselijke ramp, door een trotsch en dankbaar volk verheven werd.1 De grond is uiterst vruchtbaar; weelderige akkers met katoen en rijst beplant, malsche weiden, strekken zich aan alle zijden uit. Maïs en tabak bloeien in frissche kracht, en boven het rijke landschap welft zich een hemel, zoo rein en blauw als die van Cyprus. Hier grazen runderen; elders wandelen herders met hunne kudden. Negers, met balen katoen op hun hoofd, gaan met langzamen loomen tred de stad in. Het is een echt landelijk, dichterlijk tafereel; in de hoofdtrekken engelsch, maar toch in vele bijzonderheden van vorm en kleur u meer herinnerende aan den Nijl dan aan de Trent.