Note 1 — I.
Reading edition
En dit vizioen was werkelijkheid; en zoo ik mij tot dusver beklaagd had over den tragen gang van den tijd, nu begon ik zijn haastigen spoed te beklagen. In een der kapellen van de collegiale kerk heeft men de schilderijen bijeengebracht, die vroeger in de kloosters bewaard werden, maar na de opheffing dezer inrichtingen in de kerk zijn geplaatst, ten einde ze zooveel mogelijk te onttrekken aan de roofgierige handen van het italiaansche gouvernement. Wij konden dien schat slechts vluchtig bezichtigen: toch zagen wij een predella van Domenico Ghirlandajo; eene Maria-Boodschap van Botticelli; eene kleine Madonna, naar men zegt van Fra Angelico; eene Pièta 1 uit de school van Giotto; nog andere schilderijen, benevens fraaie bas-reliefs van Andrea della Robbia, en een prachtig standbeeld, Sint-Sebastiaan, van Rossellino. Zoo vonden wij, in dit onaanzienlijk vergeten vlek, de groote meesters weder der scholen van Siënna en Florence. Naast eene Santa-Lucia van Giotto hing een Sint-Thomas van een tot dusver voor mij onbekenden schilder, Jacopo d'Empoli. In de aangrenzende doopkapel, die met een marmeren doopvont van 1447 prijkt, kunt ge een verrukkelijk schilderij van Mazzolino bewonderen: de Doop van Christus. Jezus wordt door de Moedermaagd ondersteund, terwijl de Dooper, die voor den Heiland is neergeknield, hem de handen kust.