← Table of contents
David Malan

Note 1 — HOOFDSTUK IV.

Reading edition

Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende wijze1. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast. Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal loerende, om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes. Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op, en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent vijftig treê stond een ander mannetje, den kop hoog opgeheven, en de lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij twee prachtige leeuwenvellen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings