← Table of contents
Dante's Hel

Note 2 — Inleiding.

H. J. Boeken translation

„Na deze kwelling gebeurde het (te dien tijde dat vele lieden gingen om te zien dat gebenedijde afbeeldsel2, hetwelk Jezus Christus ons naliet tot eene gelijkenis van zijn zeer schoon gelaat, hetwelk mijne vrouwe op roemrijkste wijze aanschouwt), dat eenige pelgrims passeerden door eene straat, dewelke is bijna in het midden van die Stad, waar geboren werd, leefde en stierf die zeer edele vrouw, en zij gingen, naar het mijn toescheen, zéér in gedachten. Waarom ik, aan hen denkende, in mij zelven zeide: Deze vreemden schijnen mij van eene vèr-afgelegene plaats te zijn, en ik geloof niet, dat zij ook maar hebben hooren spreken van die vrouwe, en zij weten niets van haar; ook hunne gedachten zijn van andere zaken dan van deze-hier; daar zij wellicht denken aan hunne afwezige vrienden, dewelken wij niet kennen. Voorts zeide ik in mij zelven: „Ik weet, dat, indien zij waren van een nabij gelegen land, zij in eenige wijze ontsteld zouden schijnen, passeerende door het midden der treurende stad.” Voorts zeide ik: „Indien ik hen een weinig konde ophouden, zoude ik hen toch kunnen doen weenen vóór zij uitgingen van deze stad, omdat ik woorden zoude zeggen, die weenen konden doen wie ze ook maar zou hebben gehoord. Waarom ik, toen zij uit mijn gezicht waren weggegaan, mij voornam een sonnet te maken, waarin ik openbaarde dat wat ik in mij zelven had gezegd; en opdat het te erbarmelijker zou schijnen, nam ik mij voor te zeggen, alsof ik tot hen gesproken had; en ik zeide toen dit sonnet; hetwelk begint: zeg, pelgrims enz.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings