Note 2 — Vooruitgang1.
Reading edition
En nu—waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is, weet ik niet2. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zooveel werk van gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien. De kinderen onzer dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid, vervelendheid. Zij lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen, en van kinderen, die zij niet zouden durven navolgen. Eerst van engeltjes in jurkjes en broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven, op het oogenblik dat zij er speelgoed voor dachten te koopen; later van groote mannen, naar hun begrip versneden en pasklaar gemaakt3. En dan worden zij altijd leerzame jeugd en here kinderen genoemd. Men weet niet dat, ofschoon menig volwassene wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld is, dat zich gaarne dien titel hoort geven. Het verstandige woord van Van Der Palm tot de jeugd: “Ik wil u niet vernederen, maar opheffen”4, is voor de meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie wil altijd leerzaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe.