Note 1 — Voorbericht, Zesde Druk; 1864.
Reading edition
Ziedaar het voorbericht der zesde uitgave, in deze veertiende wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel afgedrukt. In de zevende (1871), met den Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel, en met het Laatst en weemoedig Bijvoegsel tot de Narede en Opdracht aan den in datzelfde jaar ontvallen Vriend vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening toe van den volgenden inhoud: “Deze opgave kon, bij gelegenheid van den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden, daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk, Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne reisherinnerinqen uit de Camera Obscura te putten. (Zie Im Neuen Reich 1871, N°. 18)”1. Wat echter, volgens deze aanteekening, voor de achtste uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende, teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans aldus zou kunnen luiden: “Wat er ook streelends moge zijn in de eer zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in ’t Deensch en Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan: voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van eigen land- en taalgenoot”2.