Note 1 — Voorbericht, Zesde Druk; 1864.
Reading edition
Wat Een Beestenspel betreft, ik hoop dat het Nederlandsch Woordenboek zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke instelling, welke het groot publiek zich verhardt Apentuin te noemen, en die door beschaafde lieden Artis, door niemand Diergaarde geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels uitgediend. Het “hybridisch” stukje Vooruitgang dankt aan dit zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef en—ter zijde legde … “De Heer G. schijnt te hechten aan den steller, wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een regter”—vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen.1 Dit was en olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld wordt, ware de Camera Obscura misschien niet, en stellig niet beter, geschreven.