Note 1 — Teun de Jager.
Reading edition
Ik heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat ben er het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens heb ik er mij hevig tegen uitgelaten1: maar ’t spijt me half. Ik geloof dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen; uit louter ongeduld. Maar nu ik zie, dat er reeds één trekveer metterdaad vervalt, en in de lucht zwevende pijpemanden (echt Hollandsch signaal) ook aan verscheidene andere veeren het memento mori toeroepen, krijgt de zaak voor mij zulk een droefgeestig voorkomen, dat ik in staat zou zijn de roef van Amsterdam naar Rotterdam af te huren, om in eenzaamheid een klaaglied te schrijven over de veranderde tijden. Niet zoo zeer om de Schuiten spijt het mij; zij hebben te vele gebreken, en er zijn betere dingen om mee vooruit te komen; maar om de Schippers! Want aan hen, mijne vrienden! zullen wij verliezen. Het is een goed, eerlijk, trouw en ouderwetsch slag van volk, en jammer zal het zijn, als het van de aarde of, laat ik zeggen, van de wateren verdwijnt. Eerbied voor hen! Heb een vasten schipper, en geef hem een mondelinge boodschap, een onverzegelden brief, een groote som gelds, een kostbaar stuk meubel mede; geen woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het geld te kort komen, geen letter in den brief gelezen, geen krasjen op het kostbare stuk worden gemaakt. Laat hij slechts weten wat gij aan zijne zorgen toevertrouwt, en wees zoo gerust als of gij uw eigen zoon zondt. Hier staat uw beeld mij voor oogen, trouwe Van der Velden! Gij behoort tot het vriendelijk personeel mijner academische herinneringen. Wiens voetstap hoorde Hildebrand liever dan den uwen op de ongelijke trap van zijn nederig studenteverblijf, als gij de krakende sluitmand of het welbekend koffertje, dat geen adres meer noodig had, daar tegenop sleeptet en met uw vriendelijk “compliment, en als dat de familie heel wel was,” zijn ongeduld voorkwaamt, dat naar den dubbelganger van den sleutel zocht, waarmee zijne lieve moeder het hangslot gesloten had? Gingt gij ooit bij hem voorbij, zonder te hooren “of mijnheer ook iets te zeggen had?” Of kondt gij te eenigertijd in zijn vaderstad het ouderlijk huis passeeren, zonder eventjes te gaan vertellen “dat gij mijnheer gisteren nog hadt gezien” en de hartelijkste groeten van zijnentwege te improviseeren?—Hadt gij hem niet meer dan eens in uw schuit verborgen, toen hij “groen” was, totdat de studententafel op de Mare was afgeloopen? En toen hij was gepromoveerd, en gij hem geluk wenschtet—wat scheelde er toch aan uwe oogen, dat die bonte zakdoek niet in den zak kon blijven, als gij aanmerktet, dat gij nu “zijn meeste koffertjes wel zoudt hebben gehaald”?—Drommels, Van der Velden! het veer moest niet worden afgeschaft.