Note 1 — Teun de Jager.
Reading edition
En toch! Had hij het haas maar gehad! want het scheen er meer en meer naar te staan alsof hij niets thuis zou brengen. Te vergeefs had hij reeds een paar uur door het breede Schoorler duin omgedwaald; door valleien, waar hij tot over de enkels in het dichte, bruine mos stapte; over witte blinkerds, waar het droge, rollende zand zijn voetstappen uitwischte; langs vlakten, waarin brakke poelen den grond doorweekten; nergens, om een Noordhollandsche jachtterm te gebruiken, nergens “bedekte1 hij leven”. Wel speurde hij hier den “voet” van een haas, en verder het “gewei”2 van hoenders; maar noch het eerste noch de laatste deden zich voor. Hij schoot met zekere kwaadaardigheid een witten uil, die zich op zijne lichte spokige wieken uit een heesterwilg ophief, raapte hem op, en smeet hem verachtelijk van zich. Veldin berokkende hem ook nog eene laffe teleurstelling, daar hij voor iets stond dat, toen het eindelijk uit het dikke mos opvloog, bleek niets meer dan een slechte leeuwerik te wezen. En zoo verliepen de trage uren, en Teun de Jagers neerslachtigheid kwam terug, nog vermeerderd door de vermoeienis en de hitte van den stijgenden dag. Opeens was het alsof er een luchtig windjen opstak, dat verkwikkend door zijn bezweete haren blies, en toen hij daarop nog éénen hoogen witten zandheuvel besteeg, zag hij de groote zee voor zich.