Note 1 — De Wind.
Reading edition
Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der menschen! Alle geluid van het onbezielde is door u, levende stem der lucht! Gij spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het dichte loover antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel moogt gij de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ontgrendeld rotshol, geen gonzende knots, geen losgelaten vleugelpaard, geen adelaar met klappende wieken bracht u voort: gij zijt de stem des Almachtigen. Zijn Geest is een adem, een aanblazing, een krachtig ruischen. Woest was de baaierd, woest en ledig; geen orde, geen onderscheiding, geen licht, geen geluid. De duisternis zweefde over den afgrond. Alles stil en levenloos. Maar een krachtig, een zwoel, een vruchtbaarmakend windgeruisch ging over de diepte. Het was de adem Gods broedende1 over de wateren. Zij sidderden op die aanraking; die siddering was leven. De stilte was gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit scheppende kracht, orde en leven!—In het suizen van den avondwind behaagde het Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit den wervelwind sprekende tot Job, leerde hij hem sidderen voor de mogendheid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk een gedruisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende in het ruischen “als van eenen geweldigen gedrevenen wind”.