Note 1 — Begraven.
Reading edition
Mijn vriend Baculus heeft een klein boekje geschreven, waarin hij over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oorzaak van dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar doel is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt. De kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders. Hij bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebeden, maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aardigs, als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en het staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen was, dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde. Gij begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aannemen en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang niet vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen. Zij is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog, en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen.—En wat denkt gij nu van de tentoonstellingen van schilderijen? Baculus ijvert er geweldig tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet, is men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fantastisch te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen; daarom laat ons uit de laagte opkijken1, en dan zullen wij toestemmen dat de jaarlijksche expositiën groote en veelzijdige nuttigheid hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten; duizend “lezers” doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor een liefhebber der schilderkunst is één uurtjen in eene zijkamer met een portret van Kruseman of eene zee van Schotel alleen gelaten, ruim zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en waarin de kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der zijden draden in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders.