Note 1 — WOLKVLEUGEL, DE ADELAAR.
Cilia Stoffel translation
Toen poogde ik hem in een stap1 te lokken. Ik legde twee groote forellen met een stalen klem er tusschen in, op een ondiepe plaats in de rivier, die ik van mijn kamp uit op een steilen oever, een halve mijl stroomaf, kon gadeslaan. Den volgenden dag hief Gillie, die begeeriger was dan ik, een geschreeuw aan, en toen ik te voorschijn kwam snellen, zag ik den Ouden Witkop in ’t ondiepe water bij den stap staan, waar hij omheen klapwiekte. We sprongen in een kano en roeiden spoorslags de rivier op, terwijl we juichten van verrukking, dat we den fellen, ouden vogel eindelijk hadden. Toen we de laatste landtong omkwamen, die de ondiepte verborg, stond de Oude Witkop daar, geen dertig meters van ons af, nog aan een visch te rukken en in ’t water te plassen. Ik zal niet spoedig zijn houding en uitdrukking vergeten, als wij de landtong omschoten: zijn lijf rechtop en stijf, zijn wieken half ontplooid, zijn kop naar voren, de oogleden rechtgetrokken en een krachtige, felle glans van vrijheid en ongetemde wildheid in zijn heldere oogen. Zoo stond hij daar, een heerlijk wezen, tot we bijna bij hem waren,—toen steeg hij rustig op en nam een van de forellen mee. De andere had hij al in zijn maag. Hij zat in ’t geheel niet in de klem, maar was er zorgvuldig om heengestapt. Het geplas was veroorzaakt, doordat hij den eenen visch met zijn klauwen stuk had gereten en den anderen van een paal waar hij op stak had losgemaakt.