Note 2 — DE OUDE BEUKENPATRIJS.
Cilia Stoffel translation
Hij huisde den meesten tijd op een heuvelrug achter een verlaten hoeve oostelijk van den ouden postweg. Dit was zijn middelste verblijfplaats, een plek met dicht struikgewas, doornboschjes2 en zonnige open stukjes tusschen de rotsrichels, waar ge hem als ’t u meeliep op speciale dagen in alle jaargetijden kondt vinden. Maar hij had echt het zwerversinstinct van een Newfoundlandsch rendier. ’s Winters trok hij naar ’t Zuiden, met twintig andere patrijzen, naar den voet van den bergrug, die uiteenviel in een reeks van heuveltjes en ravijnen en zonnige, goedbeschermde valleitjes, waar volop te eten was. Hier was vijftig jaar geleden weiland, dat bij een boerderij hoorde; maar nu was het overal volgegroeid met kreupelhout en frambozenvelden en wilde appelboomen, die de vogels er gezaaid hadden. Alle vogels waren er graag op z’n tijd; kwartels nestelden er aan de zoomen; en men kon een bruin konijn opkloppen uit bijna elk van de vergane hoopen takken of holle, met mos begroeide stammen die er lagen.