Note 1 — DE OUDE BEUKENPATRIJS.
Cilia Stoffel translation
En toen hij ’t eindelijk ontdekte—dat was een ontdekking waar die van de panterwelpen1 nog maar niets bij was, als ik dat zoo eens naga. Op een dag in de bosschen, dicht bij de plek waar het gewoonlijk met vreeselijk geraas wegstoof, hoorde hij een geklok en een kwit-kwit, en zag een mooien vogel in het kreupelhout wijken, glippen, stilhouden, wegschuilen en elke beweging van het kind opnemen. En toen dat vooruitschoot om zijn pet over den vogel te gooien, stoof hij weg, en toen—wirr! wirr! wirr! bruiste er een heele koppel hazelhoenders om hem heen op. De ontzetting daarover sloeg hem zoo in de beenen, dat hij in de warrelende blaren neerviel en zich de ooren bedekte. Maar dezen keer wist hij ten langen leste wat het was, en in een wip stond hij overeind en draafde niet heen, maar zoo gauw als zijn beentjes hem dragen konden achter den laatsten vogel aan, dien hij tusschen de boomen zag wegscharrelen, terwijl een berketak, waar hij met zijn vleugels tegen had gestooten, hem een goedendag naknikte.