Note 2 — IX.
Reading edition
Toen de „Taloetoek”—een kleine uilensoort met zwarte donsachtige veeren op het lijf, maar met roodachtige vleugel- en staartpennen—te middernacht zijn droefgeestig: „khoekh, khoekh” deed hooren, wenkte Johannes den Waal en maakte een der Zwitsers wakker, om voor de algemeene veiligheid te waken. Beiden bestegen vervolgens een djoekoeng, waarin lange rottan-einden aan elkander gebonden lagen, zoodat zij kabels van dertig tot veertig meter lengte vormden, aan welker uiteinden stevige ijzeren haken van anderhalven voet lang en nagenoeg een vinger dik bevestigd waren. Na een lampje aangestoken te hebben, beijverden zich beide mannen de haken van aas te voorzien, waartoe zij hoofdzakelijk levende eenden gebruikten. Haak en eend werden op een vlotje van pisangstammen zoodanig bevestigd, dat bij het te water laten de eend drijvende en levend bleef. Toen zij daarmee klaar waren, blies Johannes het lampje uit; beiden grepen de beseai’s en zakten zachtkens en zonder gedruisch te maken de soengei af, op hun weg slechts voorgelicht door de millioenen en millioenen vuurvliegjes, die op de bladeren van de Rambei-boomen2 langs de oevers van het smalle riviertje als zoo vele heldere vonkjes schitterden.