← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 1 — VII.

Reading edition

Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had. Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren1 te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De Europeanen waren van meening dat het eenvoudiger was, het lijk over boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte, hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden, waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken. Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend, nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings