Note 6 — VII.
Reading edition
„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht, dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen, papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de „banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren6. Zij keeren dan naar huis terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den vreeselijken mandauw vielen.”