Note 4 — VII.
Reading edition
De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw verwant aan Djata, den broeder van Mahatara4, zich een rijk gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting, want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen, waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met moeite redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen heeft.