← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 2 — V.

Reading edition

Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven. Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen te toonen, dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”, was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s2 kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op een kleinen afstand van het buitengrachtsboord zich een hutje op te richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken aanboden dan onze salonprullen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings