← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 3 — XXXIII.

Reading edition

Den volgenden morgen werd al heel vroeg de tocht aanvaard. Aanvankelijk voerde de weg door zware bamboebosschen, doorweven en soms afgewisseld met lianen, rottan en andere slingergewassen, die het hoog geboomte allerwege overdekten en een schier onuitwarbaar net vormden, hetwelk het voortgaan zeer bemoeielijkte. Maar hoe hooger de reizigers stegen, hoe meer die wilde vegetatie verarmde en eindelijk geheel verdween. Zij trokken nu bosschen door van ijzerhoutboomen, van ngiatoe merah3, van bangkirei4, van rassamala5, van kadjatouw- en lontar-palmen, die plaatsvervangers van den sagopalm in de wildernis, allen hoogstammige woudreuzen, welker dicht op elkander gedrongen kruinen het ontstaan en het bestaan van anderen plantengroei daaronder en daartusschen, wegens gebrek aan lucht en licht, bijna onmogelijk maken. Daarop volgde een zone, waarin slechts weinig hoogstammig geboomte, eenige weinige Casuarinen voorkwamen, maar die daarentegen bedekt was met een kort struikgewas, door de Poenans „rhoenmèta”6 geheeten, hetwelk, thans in zijn bloeitijd, die geheele strook der berghelling met een zacht rood overtoog en den verrukten Zwitsers den fraaien tooi der Alpenrozen herinnerde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings