Note 1 — III.
Reading edition
Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen van haar angstgeschrei en haar gesteun. Langzamerhand verzamelde zich een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema,1 het vorstelijk hoofd, die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu in trotsche houding en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel. Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke, nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar de vorstelijke residentie overgebracht.