Note 3 — XXIX.
Reading edition
Voor de belegerden ontstond nu eenige verademing, waarvan de drie Europeanen gebruik maakten om den toestand te overzien. Kotta Oepon Batoe kon sterk, tegenover een inlandschen vijand, zeer sterk genoemd worden. Langs twee zijden was zij bij voldoende waakzaamheid volkomen onaantastbaar. Daar steeg de rots, zooals wij gezien hebben loodrecht uit het water omhoog. Een genaakbaar punt bestond alleen daar, waarlangs onze reizigers binnengedrongen waren, maar waar ook twee verdedigers, desnoods een, voldoende waren, om een beklimming onmogelijk te maken. Aan de andere zijden was de heuvel ook wel zeer steil te noemen maar daar was een bestijging uitvoerbaar. Aan die kanten vooral was de palissadeering in vrij goeden staat. Het plateau, waarop de kotta zich verhief, was in zijne natuurlijke gesteldheid door een soort van aardspleet in twee deelen gescheiden. In die spleet welde een kristalheldere bron op, die zoo overvloedig water gaf, dat een beekje ruischend en murmelend langs die soort van hollen weg naar beneden schuimde. Overigens was het geheele plateau met groote rotsblokken als bezaaid. Twee daarvan trokken in hooge mate de opmerkzaamheid van La Cueille tot zich. Het waren twee verbazend groote tafelsteenen3 plat maar toch zeer dik, die op een afstand van slechts weinige ellen van elkander, elk op een veel kleineren maar bolvormigen steen rustten, evenwel zoodanig in hun zwaartepunt geschraagd werden, dat een eenigszins krachtige drukking met de hand voldoende was die kolossale steenmassa’s in een wiegelende beweging te brengen. Dat vond de Waal aardig, hij drukte, hij drukte nog eens en nog eens en scheen zich maar geen rekenschap van de beweeglijkheid dier gevaarten te kunnen geven. Hij bukte en zag dat beide steenen ongeveer drie voet boven den grond verheven waren; wijders merkte hij op, dat zij buiten de borstweringenceinte stonden, onmiddellijk aan den rand van het plateau boven de helling van den bovenbedoelden hollen weg. Hij boog zich over den rand, maar zag niets dan een dicht begroeide trechtervormige schacht, op welker bodem het beekje ruischte. Plotseling kreeg hij een inval; hij riep Johannes tot zich, fluisterde dien eenige woorden in, waarop beiden aan het werk togen en onder ieder der twee beweeglijke steenen aan de kotta zijde een grooten steen wentelden, zoodanig dat die tot steun van de wankelende gevaarten diende. Daarna holden zij den bodem onder die steenen eenigermate uit, vulden die ruimten met een hoeveelheid van ongeveer tien K.G. buskruit, dat zij op voorspraak van Harimaoung Boekit van het kottahoofd verkregen, en stopten verder de mijnen, na daaraan geleiddraden, behoorlijk met een buskruitsas bestreken, bevestigd te hebben, met zware rotsblokken op. Toen dat klaar was, verlengde La Cueille de geleiddraden en voerde ze tusschen de palissaden door tot binnen de kotta, waar hij ze onder een paar takkebossen verborg.