Note 1 — XXVIII.
Reading edition
Voorzeker, om een menschenleven te redden, had deze zich het lot van dien jongeling aangetrokken; maar vooral ook om bekend te worden met den aard en de bedoeling van den krijgstocht van Tomonggong Soerapatti. Na de genegenheid van den gevangene gewonnen te hebben, vernam hij al ras, dat Soerapatti met ongeveer 1200 man uit soengei Lahej opgerukt was, met het doel, om in de eerste plaats zich op Amai Mawong te wreken en vervolgens om de Kapoeas- en Kahajanstreken te vuur en te zwaard af te loopen. Hij had een macht van ongeveer 200 strijders voor kotta Hamiak, onder aanvoering van zijn zoon Goesti Kornel achtergelaten, met opdracht, die sterkte te verwoesten en hem het hoofd zijns vijands te brengen. Met het andere gedeelte was hij voortgetrokken naar Kahajan en was kotta Oepon-Batoe het eerste doel van dien tocht. Daar voerde Tomonggong Toendan bevel en ook deze werd tot de aartsvijanden van het Doessonsche hoofd gerekend. De gevangene verhaalde, dat bij dien hoofdtroep verscheidene strijders met geweren gewapend waren, ook dat die drie of vier kanonstukjes met zich voerden. Die vuurwapenen waren afkomstig van het „banama apoei hai,” het groote vuurschip, zooals de Doessonners de veroverde „Onrust” groothartig noemen. Het plan was om, langs de soengei Sirat voort te stevenen zoover men kon, tot aan Njakatan1. Daar zou de weg landwaarts ingeslagen worden; men zou de rangkans over de heuvelkling slepen, die de waterscheiding uitmaakt en slechts weinige honderd passen breed is, en haar in de soengei Danampat te water laten. Dat riviertje zoude afgevaren worden, om zoo in de soengei Miri te geraken. Deze laatste rivier zoude men bij nacht afvaren, om voorloopig met de bevolking daar geen verwikkelingen te hebben; want Soerapatti haakte er naar, de kotta van Tomonggong Toendan zoo spoedig mogelijk te bemachtigen.