Note 1 — XXVII.
Reading edition
Achtentwintig koppen waren buit gemaakt. Het grootste gedeelte der mannen van het reisgezelschap was weldra bezig die koppen van hun vleeschdeelen te ontdoen. Een vreeselijk schouwspel was het voor onze Europeanen, die bezigheid in hun onmiddellijke nabijheid te zien gebeuren. Een oogenblik waren zij als betooverd door dat schouwspel en konden zij er den blik niet van afwenden; zij zagen die koppen van hun haarhuid ontdoen, zij zagen de wangen, neuzen, lippen en ooren afsnijden en daarvan menig stuk in gretige monden verdwijnen; zij zagen de puntige poeai’s in hoeken en gaten tusschen de beenderen woelen, de oogen uit hun kassen halen en eindelijk in de schedelholten wroeten om de hersenen uit te halen. Maar toen zij zagen, dat die weeke zachte bloederige massa met gulzigheid verzwolgen werd, toen, hoewel dat gezicht hun niet vreemd meer was, voelden zij zich een onmacht nabij en moesten zij het gelaat afwenden, om zich aan dat schrikkelijk schouwspel te onttrekken. Helaas! zij mochten hun walging niet uiten, zoo als zij die ondervonden; nu reeds werd in hun nabijheid gemompeld en konden zij woorden opvangen aan hun adres, die te verstaan gaven, dat zij „helden met beo’s1 harten waren.”