Note 1 — XXVI.
Reading edition
Tegen den middag legde de flotille bij een eilandje aan, dat bestond uit verblindend wit zand, spaarzaam met kleine afgeronde witte keitjes vermengd. Een eiland was het eigenlijk niet; het was niets anders dan een zandbank, die thans bij den lagen waterstand boven de oppervlakte verscheen. Door de geringe breedte der rivier kon het woud op de beide oevers dit plekje overschaduwen, zoodat het een bekoorlijk rustpunt aanbood. Tenauwernood had het reisgezelschap de vaartuigen verlaten, om zich de beenen wat te ontspannen, toen men een geheele troep „boehies”1 door de hooge boomen zag voltigeeren. Nieuwsgierig als alle vierhandige dieren, naderden zij den boschrand en gluurden, onder het maken van allerlei koddige luchtsprongen, naar hetgeen de reizigers daar op dat eiland uitvoerden. Al meer en meer vertrouwvol wordende, naderden zij, naderden nog meer; ja eenige der jongeren waagden zich tot op de onderste takken, lieten zich aan hun lange staarten afhangen en wiegelden zich zoo vlak boven de hoofden der menschen, die zij bijkans met hun voorhanden konden aanraken. Toen de vertrouwelijkheid zoo ver gevorderd was, sprak Harimaoung Boekit eenige woorden, waarop de vier Europeanen hun geweren met groven hagel en gekapt lood laadden en eenige Dajaks hun blaasroeren grepen.