← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 2 — XXV.

Reading edition

„Laat op je schieten!” lachte Johannes. „Ziekelijke verbeelding, anders niets. De dichter zoekt weer eenzaamheid, waar zij niet is. Het murmelen, het klateren, het klotsen en het donderen van den stroom overstemt alles; anders zou je het schrille geschreeuw wel hooren der zwermen grauwgroene parkieten2, die gindsche boomkruinen bevolken. Je zoudt die kudde „badjang’s” (herten)3, die daar ginds op de toppen der rotsen staan te grazen en ons nu en dan een angstigen en nieuwsgierigen blik toewerpen, hun harden doordringenden kreet hooren slaken. Je zoudt die kleine „bakai’s”4, die daar in de verte met behulp van hun lange staarten langs de boomtakken en langs de varens en de slingerplanten over den afgrond gymnastiseeren, hun opgewekt: kirah, kirah hooren uitgalmen. Neen, bij God! het leven is hier niet uitgestorven! Integendeel, het openbaart zich zoo krachtvol mogelijk rondom u, tot in de wateren toe, waarin je geheele scholen van prachtige zalmsoorten kunt zien, die dartelend in den schuimenden stroom vooruitschieten, maar zorgvuldig onze nabijheid mijden. Ja, de nabijheid van den mensch, vooral van den Europeaan, veroorzaakt soms een leegte rondom hem, welke hij zichzelven te wijten heeft. Ook hier, hoe woest en wild de natuur zich ook vertoont, heeft het onredelijk wezen met het redelijke reeds kennis gemaakt en ondervonden, hoe gevaarlijk die kennismaking is. Straks, wanneer wij aanstalten maken zullen, om dien wilden waterstroom te beteugelen en naar boven te stevenen, dan zal je alles, als met een tooverroede aangeraakt, zien verdwijnen. Dan zal het in werkelijkheid stil en leeg rondom je zijn, zooals je dat nu droomt; maar dat zal volstrekt niet aan de natuur, maar uitsluitend aan den mensch, aan ons zelven te wijten zijn.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings