Note 1 — XXIII.
Reading edition
Als ieder Dajaksch meisje had zij tot op den jonkvrouwelijken leeftijd naakt geloopen, slechts met een gouden „sapieng”, een nabootsing van het vijgenblad, door het eerste menschenpaar gebezigd, gedekt. Later had zij zich gekleed met den saloi, zooals al de andere jonkvrouwen van haar stam en had in haar onschuld er nimmer erg in gehad, welken aanstoot zulk een spaarzame kleeding kon geven. Zij wist niet beter. Maar bij het blako ontong had zij de oogen van haar aanstaande op haar ontbloote schouders voelen branden; toen was een schuchter gevoel, haar tot nog toe onbekend, ontwaakt; zij had zich wel voor de blikken van al die vergaderde mannen onder den grond willen verbergen. Dat gevoel was haar ondraaglijk geweest. Van dat oogenblik af was zij niet meer verschenen dan behoorlijk bedekt door een badjoe, hoewel haar speelnooten haar schamper toevoegden, dat zij nu al de voorname getrouwde vrouw uithing, die bezoek verwacht1.