← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 7 — XXII.

Reading edition

Zoo was de stand van het proces. Heden zou tot het „hagalangang” overgegaan worden, om tot de ontdekking van de schuld te geraken. De aanklager en de beschuldigde werden op het binnenplein van de kotta ieder in een enge kooi, van stevige bamboelatten zoodanig opgesloten, dat het benedenlijf van de maagstreek af geheel bedekt en beschermd was, terwijl de borst, de armen en het hoofd geheel ontbloot bleven. De kooi was daarenboven zoo eng, dat zij den opgeslotene nauwkeurig omsloot en hij daarin niet wegduiken kon. Op een afstand van ongeveer dertig pas van en front naar elkander geplaatst, werd aan ieder der partijen een scherp aangepunte bamboe van ongeveer een meter lang, die wel een werpspies kon genoemd worden, ter hand gesteld. Op een teeken moesten zij die spies te gelijker tijd naar elkander toeslingeren; hij die het eerste gekwetst werd, het zij licht, het zij gevaarlijk, zou gerekend worden door de Sangiangs veroordeeld te zijn. Viel dit den beschuldiger ten deel, dan verviel de aanklacht en zou hij aan den beschuldigde een boete van 1000 rear7 als „harear kahawen” (schaamtegeld) betalen en hem daarenboven nog een mandauw ten geschenke geven moeten, als een teeken, dat hij de uitspraak aannam en hem als voorheen achtte. Werd echter de beschuldigde gekwetst, dan volgde zijn schuldig verklaring aan het hem ten laste gelegde. Hij werd dan ter dood veroordeeld en overgegeven aan de nabestaanden, in dit geval aan den zoon van den overledene, die het recht daarbij zoude verkrijgen, om hem onder de meest onmenschelijke martelingen ter dood te folteren.8 Het was een waar Godsgericht, waar om heen zich de geheele bevolking der kotta hoogst belangstellend schaarde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings