Note 5 — XXII.
Reading edition
In de Dajaklanden wordt overal op een vastgestelden dag van de week recht gesproken. Het kottahoofd omringt zich dan door drie tot zeven oudsten, naarmate van de belangrijkheid van de te voeren gedingen, en beslecht de geschillen, die in de afgeloopen week zijn ontstaan en omtrent welker beëindiging zijn bemiddeling is ingeroepen. Dat is in den regel voor de bevolking geen gewone dag. De Dajaks toch zijn het meest gedingzuchtige volk der geheele aarde. Zij gevoelen zich niet gelukkig, wanneer zij niet een „basara” (proces) hebben. Blijft hun die karaktertrek in de toekomst bij, dan zullen zij, wanneer zij eenmaal in den maalstroom der beschaving medegesleept worden, het land van belofte voor de advocaten vertegenwoordigen. Zoo’n basara-dag is dan ook een halve feestelijkheid voor de bewoners eener kotta, daar het bijwonen van de zitting van den „rantèp” (landraad)5 voor velen een onweerstaanbare aantrekkelijkheid heeft. Voor kotta Djankang was de eerstvolgende „rantèpan” buitendien van buitengewone beteekenis, daar het nieuw benoemde hoofd Amai Njawong, de vervanger van Amai Kotong, voor de eerste maal als voorzitter zoude optreden.