Note 4 — XXII.
Reading edition
„Inedjep halit! inedjep halit!” (doorstoken, maar toch geheeld)4 klonk het grinnikend, en het waren voornamelijk de vrouwen, die zich met die onhandigheid vermaakten. Dat werkte eenigermate op het gevoel der onbedreven harpoeniers. O! hadden hun stooten aan hun verlangen beantwoord, dan hadden zij zegevierend den salahawo gedrild en hun omgeving een lesje gegeven. Maar, helaas! hun pogen beantwoordde niet aan hun begeerte om uit te blinken. Wel trachtten zij onder de spottende oogen der schoonen telkenmale bewijzen van vooruitgaande behendigheid te geven. Zij werden al meer en meer opgewonden en driftig onder den angel der kwinkslagen en stootten eindelijk toe met een kracht, alsof zij de visschen aan den bodem der soengei wilden vaststeken. Voornamelijk staken Wienersdorf en La Cueille grimmig toe; zij voelden zich als vernederd, zoo onder de oogen hunner aangebedenen uitgelachen te worden. In het vuur van den strijd bracht de Zwitser op eens zijn harpoen met zoo’n kracht vooruit, dat de djoekoeng kantelde, hij het evenwicht verloor en kopje onder in het water verdween. Een uitbundig gelach en een gillend hoera begroetten dien val. Blazend en proestend greep de drenkeling, toen hij weer aan de oppervlakte verscheen, een hem toegestoken pagaai en trachtte zijn plaats in de djoekoeng te nemen, daarin geholpen door een aantal armen, die zich hulpvaardig, maar toch spotziek, naar hem uitstrekten en het hunne er toe bijbrachten, om hem meer water te doen innemen, dan wel bij minder luchthartige hulp het geval zoude geweest zijn.