Note 1 — XXII.
Reading edition
Het eerste, waaraan de aandacht gewijd moest worden, waren wel de vervoermiddelen. Men had hoegenaamd geen moeilijkheden ondervonden, om de prauw die de vluchtelingen te Kwala Kapoeas van Baba Poetjieng gekregen hadden, om de reis over zee naar Singapore te maken, tot hier voor kotta Djankang te brengen. Heeft niet al te lang droogte geheerscht, dan is de Kapoeas tot hier met gemak voor kleine stoomschepen van zes voet diepgang bevaarbaar. Dit is zelfs het geval tot Kiham Hoeras, een halve dag roeiens boven kotta Sambong. Maar daar bij dien eersten waterval of beter, bij die eerste stroomversnelling1—want een eigenlijke waterval is het niet—beginnen de groote moeielijkheden van een reis naar de bovenlanden; want dan heeft de reiziger een aantal van die stroomversnellingen te doorworstelen. Er valt dan ook niet aan te denken, groote prauwen daartegen op te halen; maar moet de reis met zeer lichte vaartuigen, bij voorkeur met djoekoengs of rangkans volvoerd worden. En dan nog moeten dezen met de grootste behoedzaamheid gestuurd worden, want een verkeerde beweging van den roerganger, doet het vaartuig dwars-strooms geraken en heeft omslaan tot natuurlijk gevolg.