← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 7 — XXI.

Reading edition

Den volgenden morgen zouden de Mawatters vertrekken, om naar hun haardsteden terug te keeren. Een hunner prauwen werd feestelijk uitgedost met festoenen van rood linnen strooken en van jonge klapperbladeren, die de Dajaks zoo bevallig kunnen bewerken en rangschikken. Daarin was de raoeng van den gesneuvelde, nadat het deksel daarop bevestigd en de naden behoorlijk waren gedicht met „katipei”7, op de „menggatil raoeng”, een stellage van zwaar en kostbaar hout, gewoonlijk van „kajoen pamala”8 vervaardigd en behoorlijk gedrapeerd, gesteld. Fier woei de Nederlandsche vlag in breede plooien boven die prauw en daar de overledene tot de aanzienlijken zijner streek behoorde, werd het vaartuig door twee en veertig9 roeiers gevoerd. Achter die lijkprauw zouden twee andere vaartuigen volgen, ook even bont, maar toch smaakvol met festoenen en vlaggen versierd. In de eerste zagen onze Europeanen vier „karandah’s” overbrengen. In ieder dier kooien zat een levende pandeling opgesloten; en er was zich geen hersenschim te vormen, die arme wezens waren bestemd, om bij het te houden „tiwah” (lijkfeest) omgebracht te worden. Wienersdorf keek scherp toe, of ook de door hem geredde vrouw zich onder die slachtoffers bevond, maar hij zag ze niet. Harimaoung Boekit verhaalde hem, dat deze offers een hulde waren van de kotta Djankangers aan den moed van hem, die voor hun belangen bezweken was. Bij die vier zouden te kotta Mawat nog een drietal gevoegd worden om den gesneuvelde een hem waardige bediening in de „Lewoe liau” te geven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings