Note 6 — XXI.
Reading edition
„Nu, wilt ge de waarheid gaan zeggen en den Hollanders gaan vertellen, dat gij allen er even lustig op losgehouwen hebt en dat het u spijt, het nog niet beter gedaan te hebben, ga je gang! mij wel!” grinnikte Johannes sarrend; „maar.…” liet hij er meer ernstig op volgen: „bedenkt u wel, handelt gij niet volgens mijn raad, dan hebt gij over een paar weken een geheele vloot stoomschepen hier voor de kotta met vele soldaten, en wat nog meer zegt, met vele en groote kanonnen aan boord, die in een half uur tijd de kotta zoo plat als een koek zullen geschoten hebben. Neen, gelooft me, en doet wat ik zeg; het is goede raad, dien ik u geef. Die kleine onschuldige leugen zal Mahatara niet vertoornen; en wanneer gij in uw leven nooit erger leugen zult verteld hebben dan dezen, die niemand schaadt, maar veel onheil zal voorkomen, dan mogen uwe zielen wanneer Tempon Telon6 ze door de „kiham apoei” (vuurwaterval) naar de „Lewoe liau” (zielen land) zal voeren, zich gelukkig achten; want dan zullen ze maar een ellendig klein beetje geroosterd worden, waarachtig niet de moeite waard, om er over te spreken.”