← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

Note 2 — XXI.

Reading edition

Alhoewel de Dajaks de krokodillen als gezanten van Djata2 en dus als wezens van goddelijken oorsprong vereeren, en zij zich verbeelden, dat die dieren in de bovenwereld een geheel andere gedaante hebben en slechts als badjai op de aarde verschijnen om de bevelen van hun Heer ten uitvoer te brengen, zoo wordt hun wrevel toch gaande gemaakt, wanneer een kaaiman een mensch aanvalt. In dat geval is weerwraak niet alleen ten volle geoorloofd, maar zelfs een niet te ontduiken plicht. Allen wierpen zich dan ook op het kreng en kapten en kerfden om hun gemoed te koelen. Toen het ondier geopend was, vond men in zijn maag verscheiden afgeronde keien, ja zelfs een paar stukken steenkool ter dikte van een vuist; ook werd daarin een fraaie witte koraaltak ter lengte van een vinger aangetroffen. Dit laatste deed Schlickeisen de veronderstelling uitspreken, dat het dier uit de Javazee naar de bovenlanden gezwommen was en dat het die reis in zeer korten tijd moest afgelegd hebben, daar die koraaltak nog niet door het maagzuur aangetast was. Johannes weersprak dat gevoelen en bracht in herinnering, dat in de binnenlanden van Borneo op vele plaatsen koraalbrecciën langs de rivieren en ook elders aangetroffen worden, als om het onomstootelijk bewijs te leveren, dat de Oceaan daar eenmaal zijn blauwe baren gerold heeft. De Dajaks bevestigden die meening, en verhaalden, dat bij hen een volksgeloof bestaat, volgens hetwelk deze soort van krokodil, bij het ondernemen van verre tochten, overal bij iedere negorij, waar hij voorbijzwemt, een steen, een koraaltak enz. tot herinnering aan die plaats inzwelgt. Vandaar dat zijn maag soms een waar magazijn van mineralen te noemen is.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings