Note 1 — XXI.
Reading edition
De twee Zwitsers verwonderden zich over den spitsen kop van het ondier, die zoozeer verschilde met dien der krokodillen in de benedenlanden. Van de Dajaks vernamen zij, dat in die streken drie soorten van krokodillen voorkomen: de „badjai bawoi”, „badjai sapit” en „badjai badjanka”1 of de stompkoppige, de spitskoppige en de leguaanachtige. De eerste soort wordt alleen langs die zeeoevers en in die rivieren en meren aangetroffen, welker beddingen uit zacht slib bestaan; de tweede soort op zandige oevers of in die gedeelten der rivieren, waar zand en rolsteenen gevonden worden; en eindelijk de derde soort nimmer in zee, maar slechts in de bergstroomen, waar die watervallen vormen en over zware steenen heenbruisen. Deze laatste soort, veel kleiner dan de twee andere soorten, is toch zeer vraatzuchtig en ondernemend en dus niet minder gevaarlijk voor den mensch.