Note 4 — XX.
Reading edition
Gedurende die gezangen hielden de jongelingen, om de vuren verzameld, zich onledig met hun „sipet” (blaasroeren)4 vergiftigde pijltjes in de omhoog stijgende dikke rookwolken te blazen, om daardoor de onreine en ongeluk aanbrengende geesten te beletten terug te keeren. De overige feestgenooten, zoo vrouwen als mannen, vormden onderwijl een grooten kring om een paal—in de noordelijke helft van de loods geplant, waaraan een „handangan” (buffel, karbouw) gebonden was—door elkander met de toppen der wijsvingers aan te raken, waarbij zij beurtelings eenige passen voor en achterwaarts deden, op de knieën doorbogen, totdat zij schier neergehurkt waren, en eindelijk onder het uitstooten van een rauwen gil weer opsprongen.