Note 1 — II.
Reading edition
Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs, was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh1,” een zeer gevaarlijke slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet „obat panawar pari2” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen latende varen, aangedaan de hand van den redder zijns kinds en prevelde iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong richtte: