Note 7 — II.
Reading edition
„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang, tandjoeng-danoem …” enz.7 over de watervlakte en bereikte des luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven. Toen een der schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen, onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit de raoeng op en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep: