Note 5 — II.
Reading edition
„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem, „geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal verkeerd begrepen worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden. Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben. Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt, onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks zich wenden? Het eiland Kalimantan5 is zeer groot, en wie zal hen in de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”