Note 10 — XVIII.
Reading edition
Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje, welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten pala-vrucht10 deden denken; met een paar groote donkere oogen, die een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij had zij fijn zacht haar, zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur „kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.