Note 5 — XVIII.
Reading edition
„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn vriend Dohong,5 die van zijn jongste jaren te Bandjermasin, daar waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof, niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen. Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”