Note 1 — XVIII.
Reading edition
De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de kokerij en hadden daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat” (vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van „hambatar” en „kalisi”1 opgebracht worden. Ook zou er veel gebak van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias” (pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd worden. In een woord, iedereen had het druk en onder die drukte vloden de morgenuren heen.