Note 9 — XVII.
Reading edition
Toen de maan zoo omstreeks te half vijf uur onderging en het alom donker was, sloop Wienersdorf, de gelegenheid waarnemende, dat Johannes zich met een der schildwachten onderhield, over hetgeen deze meende gezien te hebben, naar de karandah (kooi), waarin de arme vrouw, die geslacht zou worden, opgesloten zat, en vond haar in een diepen slaap gedompeld. Hij maakte haar zachtkens wakker, verbrak met veel inspanning eenige traliën van haar gevangenhok en noodigde haar uit dat te verlaten. Hij zou de kooi openen, dan kon zij in het woud ontvluchten. Helaas! de arme vrouw, verschrikt een geheel onbekend persoon in het duister voor zich te zien, weigerde die akelige kooi te verlaten. In den voornacht was een Balian9 bij het arme slachtoffer verschenen, had haar het hoofd met blauw zand bestrooid en daarbij met zachte stem een bezweringsformulier gezongen. Door de kracht van die bezwering was Sangiang Tempon Telon9 genoodzaakt geweest uit zijn verheven verblijf neder te dalen, om de ziel aan het lichaam van de ter dood veroordeelde te ontvoeren. Zij had de aanwezigheid van den Sangiang gevoeld; tastbaar was hare ziel ontweken, zij was nu niets meer dan een gevoelloos wezen, dat zonder ziel toch, voor dat de nacht andermaal inviel, geheel overleden zoude zijn. De beulen konden haar nu martelen zooveel hun lustte; na die mangang koeït (zielsontvoering) zou zij er niets van voelen. Daarenboven, wat zou zij arme vrouw in het woud moeten aanvangen? Hier waren hare kinderen, hare ziel zou die omzweven en, zooveel in haar vermogen was, voor onheilen behoeden. Ginds in de wildernis zou zij geheel hulpeloos zijn. Waar zou zij voedsel vinden? Wie zou haar tegen de kajau’s verdedigen? Neen, neen, zij wilde niet weg.